Samenwonen of trouwen: wat je moet weten

11 februari 2016

 

Ga je samenwonen of trouwen? Proficiat! Naast de romantiek die daarbij komt kijken, moet je allerlei zaken regelen. Ook op juridisch vlak. Hou er sowieso rekening mee dat er nog steeds juridische verschillen zijn tussen samenwonen en trouwen.

Bekijk hier de antwoorden op de vijf meest gestelde vragen over relaties.

In onze rubriek Huwen en samenwonenvind je meer vragen en antwoorden en twee handige brochures.

 
 

Bron: Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat

 

Schenken of laten erven?

9 februari 2016

 

Schenkingen zijn de laatste jaren een hot item geworden. Logisch, want de tarieven van de schenkbelasting zijn doorgaans voordeliger dan deze van de erfbelasting. Roerende schenkingen genieten van vlakke lage tarieven (3% en 7%) en sinds vorig jaar zijn ook de tarieven voor onroerende schenkingen fors verlaagd. Maar is schenken altijd een fiscaal voordelige oplossing? In welke situaties is het “veilig” om te schenken en in welke minder?

Waarom schenken?
Mensen schenken omwille van verschillende redenen. Ten eerste erven mensen gemiddeld “laat” in hun leven, vaak hadden ze dat kapitaal liever gekregen bij de aankoop van hun huis of bij de opstart van hun onderneming. Dat financieel duwtje in de rug komt dan net te laat.

Bovendien is erven vaak een dure aangelegenheid. Enerzijds erf je een nalatenschap, maar anderzijds moet je ook erfbelasting betalen. Afhankelijk van de waarde van de nalatenschap en van je verwantschap met de overledene kan die hoger uitvallen. Op schenkingen daarentegen, betaal je schenkbelasting en die is de laatste jaren gevoelig verminderd. Bovendien verkleint een schenking het totaal “te erven” vermogen, wat dan weer een positieve invloed heeft op de erfbelasting.

Vlakke en progressieve tarieven
Roerende schenkingen zijn onderworpen aan vlakke tarieven (3% en 7%). Wat de waarde van het geschonken roerend goed ook is, je schenking zal altijd onderworpen zijn aan deze bedragen.

Bij onroerende schenkingen (woning of grond) is het wat ingewikkelder; daar zijn de tarieven progressief. Dat betekent dat ze stijgen naarmate de waarde van het geschonken onroerend goed groter is. De waarde van de schenking is dus verbonden aan een bepaalde “belastingschijf”, die op zijn beurt gekoppeld is aan een bepaald belastingtarief.

Progressievoorbehoud
Als je weet dat de belastingtarieven hoger worden naarmate de waarde van de geschonken of de vererfde goederen stijgt, dan zou je de fiscus te slim af kunnen zijn door telkens kleine opéénvolgende schenkingen te doen. De nalatenschap zou dan verkleinen en bovendien zouden de “kleinere” schenkingen telkens in de laagste schijf terechtkomen. Of toch niet?

Je vermoedt het al: het zou te mooi zijn om onbeperkt te kunnen schenken. De fiscus heeft dit gedrag willen tegengaan door een specifieke fiscale regel in het leven te roepen, die in het vakjargon het “progressievoorbehoud” wordt genoemd.

Progressievoorbehoud komt in twee gevallen voor: ofwel bij opéénvolgende onroerende schenkingen binnen de drie jaar (progressievoorbehoud bij schenkingen) ofwel bij een overlijden binnen de drie jaar na een onroerende schenking (progressievoorbehoud bij overlijden).

In deze twee situaties gaat de fiscus er eigenlijk van uit dat je schenkt zodat je erfgenamen finaal minder erfbelasting moeten betalen. Daarom zal de fiscus bij opéénvolgende onroerende schenkingen binnen de drie jaar de waarde van de geschonken onroerende goederen samentellen. Resultaat? Een hogere fiscale grondslag, met als gevolg de toepassing van een hogere belastingschijf en dus… een hogere schenkbelasting.

Hetzelfde principe zal gelden indien de schenker binnen de drie jaar na een onroerende schenking overlijdt en er in zijn vermogen nog een onroerend goed aanwezig is. De waarde van het geschonken onroerend goed zal dan fictief bij de nalatenschap geteld worden. Opnieuw wordt de belastbare grondslag dus fictief verhoogd waardoor de verschuldigde erfbelasting finaal zal stijgen indien men daardoor in een hogere belastingschijf terechtkomt.

Progressievoorbehoud (oftewel de verhoging van je belastbare grondslag) speelt dus niet altijd. Ten eerste is progressievoorbehoud iets waar je alleen rekening mee moet houden bij onroerende schenkingen. Bij roerende schenkingen speelt deze regel niet. Ten tweede wordt de schenking van sommige onroerende goederen buiten deze regel gehouden. Dit is zo voor de schenking van bouwgrond en de schenking van een familiebedrijf.

Zoals hierboven omschreven, kan progressievoorbehoud ook maar parten spelen indien er meerdere onroerende goederen in het vermogen zijn. De waarde van het geschonken onroerend goed kan immers maar fictief gevoegd worden bij de waarde van een ander onroerend goed, en niet bij de waarde van de roerende goederen. Heb je maar één woning of grond in je vermogen? Dan hoef je niet wakker te liggen van progressievoorbehoud.

Schenken altijd beter?
Fiscaal gezien is schenken heel vaak de beste beslissing, maar enige waakzaamheid is altijd geboden. Bij schenkingen geldt het principe “gegeven is gegeven”. Op een schenking kan je niet zomaar terugkomen, zelfs als bepaalde levensomstandigheden zijn gewijzigd waardoor je het geschonken kapitaal wel eens terug zou kunnen gebruiken…

Schenkingen staan de laatste jaren steeds meer in de schijnwerpers. In heel wat gevallen is schenken immers fiscaal voordeliger dan erven. Toch dien je rekening te houden met een paar belangrijke fiscale regels.

Wil je meer informatie, tarieven en voorbeelden? Lees dit blogbericht via
http://bit.ly/1SdlOFg of maak een afspraak met jouw notaris!

 
 

Bron: Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat

 

5 misverstanden over het starten van een onderneming

27 januari 2016

 

1. Als ik een vennootschap opricht met beperkte aansprakelijkheid, kan ik nooit met mijn vermogen gehouden zijn
Een vennootschap heeft een eigen rechtspersoonlijkheid en heeft een eigen vermogen. De schuldeisers van de vennootschap kunnen dus in principe niet raken aan het persoonlijk vermogen van de zaakvoerder of de vennoot, maar enkel aan het vermogen van de vennootschap. Er geldt daar echter een belangrijke uitzondering op: de oprichtersaansprakelijkheid. Indien de vennootschap binnen de drie jaar na zijn oprichting failliet gaat en aangetoond kan worden dat er onvoldoende startkapitaal werd geïnvesteerd om het bedrijf twee jaar gezond te houden, beschouwt de wetgever dit als een fout van de ondernemer. In deze gevallen kan hij persoonlijk gehouden zijn met zijn vermogen. Met andere woorden: Je bent als oprichter beperkt aansprakelijk onder voorwaarde dat de onderneming voldoende werkingsmiddelen ter beschikking heeft.

Uiteraard is een ondernemer-zaakvoerder of bestuurder ook aansprakelijk voor bestuursfouten (bijvoorbeeld een fout beheer) en voor sociale fraude. Hoewel btw, sociale bijdragen en de bedrijfsvoorheffing schulden zijn van de onderneming, moet de zaakvoerder/bestuurder waken over de tijdige betaling ervan.

2. Als ik een éénmanszaak begin en het loopt verkeerd dan verlies ik misschien mijn gezinswoning
Bij een éénmanszaak is er geen apart “professioneel” vermogen, dus de schuldeisers kunnen zich in principe verhalen op de private rekeningen en goederen van de ondernemer. De gezinswoning kan wél genieten van een bijzondere bescherming, mits een bezoekje aan de notaris. Sinds 2007 kan je immers bij de notaris een “verklaring van onbeslagbaarheid van de gezinswoning” vragen waardoor schuldeisers geen beslag kunnen leggen op de gezinswoning voor beroepsschulden. Een mooie bescherming dus voor het gezin.

3. Als ik een starter-bvba opricht, heb ik geen startkapitaal nodig
Op papier heb je bij een starter-bvba (bvba “light” of s-bvba) geen startkapitaal nodig. De financiële drempel om je onderneming te kunnen oprichten, is dus minder zwaar. Maar daarom mag je er nog niet van uitgaan dat het allemaal van een leien dakje zal lopen. Je hebt immers in de praktijk wél kapitaal nodig om je bvba gezond te houden. Bovendien zijn de oprichters bij een s-bvba onderworpen aan zware boekhoudkundige kosten en moeten ze een streng financieel plan kunnen voorleggen. Ze kunnen de winsten de eerste jaren niet zomaar uitkeren aan hun aandeelhouders; er zal per jaar verplicht 25% van de nettowinst naar de wettelijke reserve moeten gaan tot het startkapitaal en de reserve samen 18.550 euro bedragen (startkapitaal van een “klassieke” bvba). Bezint eer je begint, geldt dus ook bij een s-bvba.

4. Als ik failliet ben gegaan in het verleden, kan ik geen onderneming meer oprichten
De wet bepaalt nergens dat een gefailleerde achteraf geen onderneming meer zou mogen opstarten. Integendeel, de wet bepaalt zelfs dat de zaakvoerder van een vennootschap in staat van faillissement een nieuwe activiteit mag starten tijdens dit faillissement. De schulden van deze nieuwe activiteit zullen dan bij voorrang uitbetaald worden door de curator, zodat de “herstarter” met een schone lei kan beginnen. Gefailleerden die opnieuw een onderneming starten, hebben vaak de alertheid en de ervaring die cruciaal zijn voor het ondernemen. Meer informatie over het starten van een handelsactiviteit tijdens of na een faillissement vindt u op http://www.dyzo.be/herstarten/financiering.

De gefailleerde kan wel tijdelijk een beroepsverbod (maximum 10 jaar) opgelegd krijgen om zelf zaakvoerder of bestuurder te zijn van een vennootschap, maar dat is eerder uitzonderlijk.

5. Als ik een onderneming start, is het beter om een huwelijkscontract op te stellen bij de notaris
Bij het wettelijk stelsel (huwelijk zonder huwelijkscontract) worden de beroepsinkomsten verdeeld in gelijke delen, ongeacht wat de echtgenoten elk hebben bijgebracht aan het gemeenschappelijk vermogen.

Vaak willen partners echter een verdeling die overeenstemt met hun werkelijke bijdrage, bijvoorbeeld in geval slechts één van de echtgenoten heeft gewerkt en de andere thuis bleef. Een huwelijkscontract opstellen met “scheiding van goederen” kan dan een oplossing zijn. Elk heeft dan zijn eigen vermogen.

Anderzijds kan een doorgedreven stelsel van “scheiding van goederen” dan weer zorgen voor een ongelijkheid. De partner die de keuze heeft gemaakt om voor de kinderen thuis te blijven, wil waarschijnlijk ook een beetje financiële zekerheid bij een eventuele echtscheiding.

Het nut van een huwelijkscontract is dus dat de gevolgen van de “wettelijke” regeling aangepast kunnen worden, zodat de verdeling van het vermogen bij echtscheiding van de partners zo goed mogelijk beantwoordt aan de concrete wensen van de echtgenoten. De vraag of een huwelijkscontract een goede zaak is, hangt dus volledig af van de wensen van de echtgenoten.

Er is een waaier aan mogelijkheden als het op huwelijkscontracten aankomt. Zo kan de notaris aanraden om het wettelijk stelsel te behouden, maar dat te verfijnen met een huwelijkscontract. Vergeet bovendien niet dat er veel professionele verzekeringen bestaan die ook een zekere bescherming bieden.

Klinkt dit allemaal nog wat ingewikkeld? Aarzel niet om de notaris te raadplegen voor deskundig advies!

 

Bron: Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat